Waarom staken (weer) relevant is (longread)

Stakenvrijdag 29 maart 2019 13:00

Door Ruben Ros (Denktank)

In de afgelopen maanden zijn er weer de nodige stakingen geweest. Al tweemaal gingen de scholieren de straat op om het kabinet te bewegen tot een ambitieuzer klimaatbeleid. Datzelfde kabinet moest enige tijd later zien hoe tienduizenden leraren en studenten de straat op gingen om de deplorabele staat van het Nederlandse onderwijs onder de aandacht te brengen.Maar staken, dat is toch iets van de jaren zeventig? Afreizen naar het kille Den Haag om met je gebrekkig creatieve spandoek een dichtgetimmerd regeerakkoord open te breken, dat heeft toch helemaal geen zin meer? 

Kennelijk denken veel Nederlanders op een soortgelijke wijze over staken. Ons land bungelt onderaan de Europese lijstjes als het gaat om stakingsdagen per jaar. In tegenstelling tot landen als Frankrijk en België leggen Nederlanders maar zelden het werk neer. Op de lange termijn lijkt staken sinds de eerste decennia van de vorige eeuw al een uitstervend fenomeen te zijn. Het stilleggen van het werk is iets wat de Nederlander niet in het bloed zit. Waar zij/hij zich in de vorige eeuw nog wel wilde laten verleiden tot lidmaatschap van de vakbond en onder de rugdekking van een FNV de vuist balde richting de Haagse macht, is het vandaag de dag oorverdovend stil op het Malieveld.

Deze publieke apathie, of antipathie, als het op staken aankomt werd ook weer duidelijk bij de afgelopen klimaat- en onderwijsstakingen. De lerarenstakingen werden vooral gezien als vervelend (want wie past er dan op het loslopende kroost?), foto's van de zogenaamd hypocriete scholieren in de McDonalds leidden tot hoongelach ter rechterzijde en tijdens de onderwijsstaking lag het grootste deel van de studenten nog in bed. 

Kortom, het staken zit niet in ons bloed, het kost geld, het is veel geregel en als je niet uitkijkt raak je ook nog drijfnat door de regen of een waterkanon. Nee, liever gaan we voor de polder: we stellen commissies, overlegorganen, tafels en koepels in die bedachtzaam beleid woord voor woord ter schrift stellen. Huiverend kijken we naar de Parijse straatgevechten, en we stoppen ons gele hesje diep weg in de kofferbak. 

Ondanks dit alles is staken vandaag de dag uiterst relevant. Waarom? Omdat staken (voor de publieke zaak) ten diepste draait om het maatschappelijk contract. Dit zeventiende eeuwse idee, afkomstig van denkers als Rousseau, Locke en Hobbes, begint bij het afleggen van de vrijheid die de mens geniet in een hypothetische ‘natuurtoestand’. De samenleving ontstaat op het moment dat individuen hun krachten bundelen en gezamenlijk wetten en regels opstellen. Hoewel er genoeg haken en ogen zitten aan de contracttheorie staat de basis stevig: zowel de burger als de overheid hebben rechten en plichten. 

Het probleem van onze tijd is dat de politieke macht zich stilletjes ontdoet van haar contractuele plichten. Het sociaal contract wordt ontbonden door een tandeloze politiek. Machteloos staat ze als ziekenhuizen failliet gaan, klimaatdoelen weer niet gehaald zijn en het onderwijs smacht naar verlichting. Juist hierom is staken (weer) relevant. Staken voor de publieke zaak zet de regels op scherp. De vertrouwde band tussen burger en overheid wordt tijdelijk aan de kant geschoven. Staken is daarom het uitgelezen middel om aan de politiek te laten zien hoe fragiel het maatschappelijk contract (of het vaasje, wat je wil Mark). 

Het vluchtgedrag van de eenentwintigste eeuwse politiek is goed zichtbaar bij zowel het klimaatbeleid als de reden achter de onderwijsstakingen. Al jarenlang wordt in alle lagen van het onderwijs stevig bezuinigd. Klassen worden groter in basisscholen en collegezalen, terwijl competitie in de academische wereld elke vorm van creativiteit en fundamenteel onderzoek de kop indrukt. Deze bezuinigingen komen voort uit een permanente angst voor begrotingstekorten en een oplopende staatsschuld. Niet voor niets is de Minister van Financiën altijd een van de populairste bewindslieden en mogen begrotingsoverschotten alleen gebruikt worden om de staatsschuld te verlichten. Het passen op de centen wordt gewaardeerd in Nederland. Echter, de grens tussen zuinigheid en fantasieën over een nachtwakersstaat is tegenwoordig troebel. Sinds de jaren tachtig zijn bezuinigingen de sine qua non van de politiek. De publieke sector is er vooral een waar aan het begin van elke kabinetsperiode de kaasschaaf overheen kan en de verworvenheden van de verzorgingsstaat worden een voor een geamputeerd en vervangen door een in alles tekortschietende participatiemaatschappij.  

Dominant is de gedachtegang dat een sterke overheid zich niet dient te bemoeien met de praktijk. In plaats daarvan moet competitie haar werk doen. Als alles meetbaar is, is alles vergelijkbaar, en als alles vergelijkbaar is, is competitie mogelijk en doet de markt, of liever gezegd, de homo economicus het werk. Een nieuwe natuurtoestand dient zich aan. Ondertussen heeft de overheid zichzelf de taak toebedeeld om onderaan de streep te zorgen dat de financiën op orde blijven. Ministers zien het als hun taak “op de centen te letten”, “kosten te bedwingen” en “de hand op de knip te houden”. Ondertussen wijzen diezelfde ministers naar de onzichtbare hand, en worden bewuste bezuinigingen gereduceerd tot “tegenvallers” of aangeprezen als beleidsverandering (zie het leenstelsel). 

Het klimaatbeleid lijkt niet veel anders te zijn. Hoewel het klimaatakkoord blijk geeft van goede wil en ambitie, laten de klimaattafels wel degelijk zien dat echte keuzes niet meer door politiek Den Haag genomen durven worden. Het ontwerpen van daadkrachtig beleid wordt uitbesteed aan tafels waar in een atmosfeer van schijnbare a-politiek de polder er maar uit moet zien te komen. Wat de politieke retoriek rond het akkoord liet zien dat dit niet zorgde voor een collectieve wens om aan de toekomst te werken, maar een politiek ongebonden akkoord waar partijen vooral afstand van namen. Daarbij lijken ook hier de regels van de marktgestuurde politiek weer te gelden. Klimaat mag vooral geen geld kosten, en “groen” moet uiteindelijk toch vooral de economische groei voortstuwen. 

Het is duidelijk dat een trendbreuk uiterst noodzakelijk is. In plaats van management, doorrekeningen en aandachtsfetishisme moeten durf, daadkracht en principes weer tot kern van het politieke bedrijf verheven worden. De politiek moet zich weer bewust zijn van haar plichten en kerntaken. Geen participatiemaatschappij maar een verzorgingsstaat, geen woningmarkt maar volkshuisvesting, geen flexwerk maar baanzekerheid en geen gepraat over “groen geld verdienen” maar doen wat nodig is om de planeet te redden. Dringt de boodschap niet door? Dan maken we gewoon nog een spandoek, want zonder contract geen samenleving.

« Terug