« Terug

Aftrap - Week van: Elk kind telt

Vanweeshuisnaargoede zorg (1).pngmaandag 22 februari 2021

Deze week duikt PerspectieF in de wereld van kinderen in de context van ontwikkelingssamenwerking. Immers, ieder kind telt, of het nu in Nederland woont of daarbuiten. Hoe kan de Nederlandse politiek goede kindzorg bevorderen? En welke praktijken schaden kinderen juist?

Vandaag staan wij in een gesprek met prof. Van IJzendoorn (EUR; UCL) en mevr. Nieuwenhuizen (Better Care Network Nederland) stil bij zogenaamd weeshuistoerisme. Naar aanleiding van de recente publicatie van het rapport ‘Onderzoek omvang vrijwilligersreizen vanuit Nederland naar residentiële zorginstellingen voor kinderen’ van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Prof. Van IJzendoorn is verbonden aan de Erasmus Universiteit (Rotterdam) en het UCL (Londen). Hij is deskundig op het gebied van opvoeding en de grenzen daarvan. Daarbij kijkt hij vooral naar omgevingsfactoren, zoals de aanwezigheid van ouders – of de afwezigheid daarvan in tehuizen. Ook onderzoekt hij hoe kinderen zich op een gezonde manier leren hechten aan hun omgeving.

M
evr. Nieuwenhuizen coördineert het Better Care Network Nederland, een collectief van negen organisaties (o.a. Kerk in Actie, Red een Kind, DefenceforChildren en SOS Kinderdorpen) dat zich inzet voor de zorg voor kinderen zonder ouderlijke zorg. Ze houden zich onder andere
bezig met fenomenen als weeshuistoerisme en stages in zorginstellingen voor kinderen.


Pieter Dirk
: De aanleiding voor ons gesprek is de publicatie van het rapport ‘Onderzoek omvang vrijwilligersreizen vanuit Nederland naar residentiële zorginstellingen voor kinderen’ van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Wat is de achtergrond van dit stuk?

Nieuwenhuizen: Dit onderzoek is het gevolg van vragen van de VVD in de Tweede Kamer naar aanleiding van de media-aandacht die er in 2017 en 2018 was rondom de onbedoeld negatieve effecten van vrijwilligerswerk en stages in kindertehuizen. Na een hoorzitting over dit thema besloot de minister tot onderzoek naar de aard en omvang van de problematiek, want eigenlijk hebben we daar geen cijfers over. De organisaties die vrijwilligers zenden doen daar geen uitspraken over, omdat ze bang zijn voor negatieve publiciteit. Dat onderzoek duurde tot afgelopen zomer en werd, na enorme vertraging, uiteindelijk afgelopen maand gepubliceerd.

Pieter Dirk: Begrijp ik het goed dat het rapport zich vooral richt op reizen naar weeshuizen? Zijn die reizen als zodanig het probleem?

Nieuwenhuizen: Klopt. De term weeshuizen klopt eigenlijk niet, omdat de kinderen in 80% tot 90%*van de gevallen niet echt wees zijn. Daarom hebben we het over residentiële instellingen voor kinderen: plekken waar kinderen dag en nacht verblijven en waar vrijwilligers, stagiairs en toeristen langs komen omdat ze graag iets goeds willen doen. Dan heb je het over particuliere initiatieven, maar ook over commerciële reisaanbieders.

Van IJzendoorn: Ik denk dat het wel goed is om over tehuizen te spreken. Het klopt dat het vaak niet gaat om biologische wezen, maar wel om sociale wezen die door hun ouders vaak noodgedwongen in de steek zijn gelaten. In die tehuizen krijgen deze kinderen 24/7 zorg. Dat lijkt voor veel mensen heel vanzelfsprekend – als kind waren hun ouders er immers ook altijd – maar dat is het in deze tehuizen niet. De kinderen krijgen te maken met ploegendiensten van steeds wisselende begeleiders, vaak ook met teveel kinderen per begeleider. Als onderzoek een ding duidelijk maakt, dan is het dat kinderen vooral gebaat zijn bij slechts enkele opvoeders die relatief continu aanwezig en beschikbaar zijn. Voorspelbaarheid en beschikbaarheid, dat is cruciaal om goed vertrouwen op te bouwen en voor een kind om een veilige gehechtheid te ontwikkelen. Gebeurt dat niet, dan ontstaat echt schade aan de ontwikkeling.

Pieter Dirk: En het onderzoeksrapport laat zien dat vrijwilligersreizen naar dergelijke tehuizen deze problematiek verergeren?

Van IJzendoorn: Nu ja, onderzoeksrapport… Het gaat hier meer om een beleidsnotitie waarbij men probeert wetenschappelijk onderzoek te gebruiken, maar dat onderzoek lang niet altijd recht doet. Zo schuiven de schrijvers soms op basis van weinig representatief onderzoek conclusies uit veel omvangrijkere studies terzijde. En telkens als er geconcludeerd moet worden dat weeshuizen en de reizen daarnaar toe negatieve gevolgen hebben, moet er weer een positief zinnetje volgen dat er ‘ook een andere kant’ is – dikwijls onterecht… Daarmee heeft het wat weg van cherrypicking in het bewijsmateriaal.Een voorbeeld: we hebben medio 2020 twee omvangrijke kwantitatieve reviews gepubliceerd in The Lancet gebaseerd op meer dan 300 studies met meer dan 100.000 kinderen in meer dan 60 landen. De auteurs maken erterloops melding van om vervolgens de bevindingen ervan onderuit te halen met verwijzing naar een zeer beperkte literatuurstudie uit 2017.**

Maar dat terzijde. Of de vrijwilligersreizen de problemen verergeren? Zeker. Al die wisselende verzorgers, soms wel veertig of vijftig met wie een jong kind in enkele jaren tijd te maken krijgt , zorgt voor een gefragmenteerde opvoeding. Verwachtingen die zijn gewekt door de een, worden niet waargemaakt door de volgende, scheidingen van de opvoeders doen pijn met alle teleurstelling en gevolgen voor het zelfbeeld van de kinderen van dien. Wij volwassenen kunnen ons al niet of nauwelijks aan zoveel mensen hechten, laat staan die kleine kinderen. Daarmee is tehuisopvoeding een vorm van structurele verwaarlozing en zelfs een vorm van kindermishandeling. Bezoek aan tehuizen door vrijwilligers en stagiaires vergroot deze problemen, terwijl het paradoxaal genoeg juist dikwijls gaat om jongeren die met de beste bedoelingen zich willen inzetten voor hun medemens in nood.

Pieter Dirk: Veel jongeren willen zich inderdaad graag inzetten voor een ander. Zijn er via dit soort vrijwilligersreizen ook goede vormen mogelijk?

Van IJzendoorn: Ik heb lang gedacht: het is goed voor jongeren om zulke reizen te maken, om te ontdekken dat er plekken in de wereld zijn waar veel dingen die voor ons gewoon zijn, zoals brood op de plank, niet vanzelfsprekend zijn. Maar daar ben ik van teruggekomen. Veel jongeren komen juist teleurgesteld terug van zulke reizen, omdat ze het gevoel hebben uiteindelijk niet echt een verschil te kunnen makenen nu de kinderen in de steek te laten door weg te gaan. Ook het commerciële aspect, het feit dat veel organisaties geld verdienen aan deze industrie van reizen naar kwetsbare kinderen, begint veel jongeren dan tegen te staan.

Pieter Dirk: Bij industrie denk je al snel ook aan grote schaal, maar het onderzoek heeft het ‘maar’ over enkele honderden reisorganisaties en nog geen tweeduizend particuliere initiatieven. Zijn deze reizen dan wel zo’n groot probleem?

Nieuwenhuizen: Ik vind van wel. Nederlandse burgers leveren een bijdrage aan schade aan kinderen daar. Daar moet de Nederlandse overheid dan toch iets mee? In het onderzoek worden zelfs casussen genoemd van mensen die veroordeeld zijn voor kindermisbruik en dit, door een stichting op te tuigen (inclusief de bijbehorende belastingvoordelen), via dit soort reizen kunnen voortzetten. Dit is een kleine groep. Maar ook daarbuiten is dit een probleem. Wij willen in Nederland toch ook niet dat onze kinderen, mochten ze uit huis geplaatst worden, opgevangen worden door vrijwilligers die de taal niet spreken, die de kennis niet hebben, die geen ervaring hebben en die zelfs geen verklaring omtrent gedrag kunnen overleggen? Wij zijn niet tegen vrijwilligerswerk, dat kan echt goed zijn. Maar doe het niet ten koste van kwetsbare kinderen. We houden met onze reizen en schenkingen een systeem in stand dat schadelijk is.

Van IJzendoorn: Natuurlijk is ieder kind dat schade oploopt door deze reizen er een teveel. Dat gezegd, lijkt er iets vreemds aan de hand met de schattingen van dit rapport. In de voorlaatste versie, waarover ik geconsulteerd ben, stonden heel andere cijfers, met schattingen tot ruim boven de 8000 vrijwilligers per jaar. En wat staat er nu in de brief? Enkele honderden initiatieven… Dat klinkt toch heel anders.

Pieter Dirk: Gaat dat van invloed zijn op hoe dit rapport gaat landen?

Van IJzendoorn: Ik vrees van wel, ja. Met dat zinnetje ‘enkele honderden’ wordt het probleem veel kleiner voorgesteld dan het werkelijk is. Dit zal de politieke opvolging kwetsbaar maken en dat vind ik teleurstellend. Is er eindelijk een helder punt in ontwikkelingssamenwerking waar het ministerie beleid op kan maken, bijvoorbeeld met voorlichting en strengere regelgeving, en dan grijpt het die kans niet. Dat had ik niet van deze minister verwacht.

Pieter Dirk: Hoe beoordelen jullie in dat licht de kabinetsreactie op het rapport?

Van IJzendoorn: Ook die neemt het probleem onvoldoende serieus. Er wordt verwezen naar de inzet op armoedebestrijding in het algemeen, zonder dat dat concreet wordt. Terwijl dit nu juist bij uitstek een punt is waar wij als westers land wél concreet kunnen worden!

Pieter Dirk: Maar de kabinetsreactie noemt ook concrete punten, zoals nader onderzoek naar maatregelen omtrent de ANBI en de verklaring omtrent gedrag.

Van IJzendoorn: Onderzoek is het stallen van het probleem tot nader orde. Het is dan ook een kwetsbaar thema. Het doet hierin denken aan de Moriakwestie: ook daar lukt het ons nauwelijks om tot concrete actie over te gaan ten bate van die kwetsbare kinderen. Men kon geen kwetsbare kinderen uit Moria vinden, notabene! Dat vind ik stuitend. Tegelijkertijd is het hoopgevend dat de jongeren van de ChristenUnie dit toch willen oppakken.

Nieuwenhuizen: Van die concrete punten uit de kabinetsreactie is trouwens ook het perspectief voor de sector weinig overtuigend: reisorganisaties die zichzelf moeten reguleren is toch als een slager die zijn eigen vlees keurt. Eerdere dergelijke initiatieven liepen steeds vast. Het is tijd dat de politiek een wettelijke ondergrens gaat stellen aan dit soort tehuizen en reizen. Bijvoorbeeld door stichtingen die dit systeem in stand houden geen belastingvoordeel meer te geven, of door een verklaring omtrent gedrag te eisen van vrijwilligers. Voor dit soort plannen moet er een concrete tijdlijn komen. En daarnaast moet de overheid investeren in bewustwording. Afgelopen week las ik nog over een jongen die in het zonnetje werd gezet omdat hij een weeshuis in Congo had opgericht. Dat moeten we toch echt niet meer willen. Als je het jongeren uitlegt, snappen ze het best. Het probleem ligt in dat opzicht meer bij de volwassenen, die het gevoel hebben al jaren iets goeds te doen met hun financiële steun aan en reizen naar tehuizen.

Pieter Dirk: Als het zo lastig is om deze boodschap bij die volwassenen tussen de oren te krijgen, is het dan niet verstandig om de problematiek met harde hand op te lossen? Bijvoorbeeld door financiële steun aan die tehuizen en de reizen ernaar toe te verbieden?

Nieuwenhuizen: Dat is niet de beste oplossing. Tehuizen kan je niet van de een op de andere dag sluiten, want waar zouden die kinderen dan naartoe moeten? Lang niet overal staat er een netwerk van zorg aan familie of bijvoorbeeld pleegzorg klaar. Het zal een proces van afbouw moeten worden, dat is echt in het belang van al die kwetsbare kinderen. Bovendien is zo’n verbod nauwelijks te handhaven, omdat de meeste particuliere initiatieven niet te traceren zijn. Ze schrijven er niet over op hun website en als ze dat al doen, dan vaak niet onder het kopje ‘weeshuis’ maar ‘gezinshuis’ of ‘community-based projecten’ die in de praktijk gewoon functioneren als weeshuis.

Van IJzendoorn: In het buitenland zie je al dat veel kerkelijke organisaties een transitie doormaken van het ondersteunen van weeshuizen naar het ondersteunen van kwetsbare gezinnen. Dat kan ons inspireren. Wat mij betreft zou een verbod wel voordelen hebben. Vergelijk het verbod op kindermishandeling: niet iedereen houdt zich er helaas aan, maar iedereen weet wel dat het fout is. Dat signaal is heel hard nodig.

Nieuwenhuizen: Voorkomen van reizen gaat echt lastig worden. Daarom is voorlichting zo belangrijk. En wil de overheid dat goed doen, dan moet ze daar zelf ook expertise voor in huis hebben of halen. Het zou goed zijn als de overheid hier een duidelijke portefeuillehouder voor aanwijst.

Van IJzendoorn: Het starten van een voorlichtingscampagne is inderdaad wel het minste dat de overheid nu kan doen. Ze moet ook echt stappen gaan zetten met de andere opties die op tafel liggen, zoals het aanscherpen van de eisen voor een ANBI-status en het verplichtstellen van een verklaring omtrent gedrag voor vrijwilligers. En toch echt gaan werken aan dat verbod.

 

* De bron waar Mevr. Nieuwenhuizen zich hier op baseert, is deze: Keeping children out of harmful institutions - Why we should be investing in family-based care | Resource Centre (savethechildren.net)
** Prof. Van IJzendoorn verwijst hier naar p. 18 van het rapport.